Verzekeringen en de deeleconomie: knelpunten, maar ook oplossingen

De FOD Economie organiseerde op 28 september in samenwerking met het kenniscentrum voor de verbruikersorganisaties een evenement rond verzekeringen en deeleconomie. Beide partijen moeten aan elkaar wennen, maar de goede wil is er zeker: de sterke opkomst van verzekeraars (maatschappijen én tussenpersonen) gaf er blijk van.

Jean-Marc Delporte, topman van de FOD Economie (en vriend-voor-het-leven van de verzekeringsbranche, met warme herinneringen aan zijn dagen als hoofd van de Controledienst), legde in zijn inleiding uit dat de regering in de ontwikkeling van de deeleconomie een middel ziet om de klimaatdoelstellingen te halen. Haar rol bestaat erin, om deze ontwikkelingen het nodige kader te geven en te stimuleren. Gemakkelijker gezegd dan gedaan, want deeleconomie gaat van vriendendiensten tot e-commerce. Het komt er in ieder geval op aan, vertrouwen te bieden aan de deelnemers. In dat kader past de samenwerking tussen de FOD en BV-OECO als organisatoren van de studievoormiddag.

Vier aspecten van de deeleconomie

De Belgische Vereniging voor Onderzoek en Expertise voor Verbruikersorganisaties (BV-OECO) treedt in de voetsporen van het Onderzoeks- en Informatiecentrum van Verbruikersorganisaties (OIVO) zaliger en had een rapport klaargestoomd over de niet altijd vanzelfsprekende relaties tussen verzekeringen en vier aspecten van de deeleconomie: autodelen, uitwisselen van spullen, ter beschikking stellen van logies en de uitwisseling van diensten.

Deeleconomie is op zich niet nieuw. De oprichters van Taxistop hebben decennia geleden reeds invulling gegeven aan het begrip “positieve aanwending”. Nu geven de nieuwe technologische middelen een nieuwe impuls aan het idee dat het beter is om goederen te delen dan elk voor zich goederen en diensten aan te schaffen in het reguliere economische circuit. Van consumeren naar consuminderen, in zekere zin.

In het autodelen bestaat er een schakering van het bijeenbrengen van een groepje particulieren tot het vlootbeheer van een Cambio of Zipcar. Toch rijzen er vragen over de toepassing van de korting voor schadevrij rijden of het aanrekenen van de malus aan wie een ongeval heeft veroorzaakt, het opbouwen van een persoonlijke historiek in hoofde van verschillende gebruikers, en een beperkt aanbod (of: puur maatwerk) voor wie overweegt iets in die zin te ondernemen.

Gaat het om schade aan geleende toestellen, dan rijst de vraag naar de verzekerbaarheid van contractuele aansprakelijkheid. Hier groeit het aanbod zowel in standaardvoorwaarden als in meer uitgebreide varianten op de aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren. Maar denkt de consument daaraan bij het sluiten van zijn verzekering?

Voor schade bij het delen of beschikbaar stellen van logies roept de paternalistische definitie van wie verzekerd en wie derden zijn in het Koninklijk Besluit van 1984 vragen op, net als de verzekerbaarheid van contractuele aansprakelijkheden.

Verenigingen die een uitwisseling van diensten organiseren blijken vaak vol goede bedoelingen, maar helemaal niet risicobewust. Dat kan nare gevolgen hebben voor wie geen vzw-structuur aanneemt of te losjes omgaat met de sensibilisering van zijn aangeslotenen, die wel eens alleen informatie ontvangen… als zij er om zouden vragen. Bij het aannemen van klusjes moet je goed weten wat arbeid is en wat niet. Dit heeft bijvoorbeeld belang voor ongevallen bij het uitvoeren van de klus. Onzekerheid over de regelingen als er iets mis zou gaan, remmen ook de bereidheid om deel te nemen aan dergelijke netwerken, wat op zich jammer is.

Evenwicht bewaren

Cécile Coppin van de FOD Economie gaf aan dat de overheid waakt over een gezond evenwicht tussen deeleconomie en professionals. Zij wil vermijden dat deeleconomie het voorwendsel zou zijn om fiscaal of sociaal oneerlijke concurrentie te voeren. Dat veronderstelt afstemmen tussen meerdere ministeries, maar ook met gewesten en zelfs gemeentebesturen. De FOD stelt een tekort aan informatie bij zowel deelnemers als organisatoren vast, en doet er iets aan met een informatieaanbod op zijn site.

De rol van de initiatiefnemers varieert van het aanbieden van een trefpunt voor zoekertjes waar vraag en aanbod zich in kunnen vinden naar een meer actieve rol (standaardformulieren, betalingsprocedures, …) en tot gezag, leiding en toezicht over de diensten, vastleggen van voorwaarden en tarieven. In die schakering neemt de aansprakelijkheid van de vereniging exponentieel toe, waarschuwt ze.

Getuigenissen

Didier Leber, organisator van uitwisselingen van diensten tussen burgers in het Luikse, had het over het parcours dat hij afgelegd heeft en de problemen die hij daarbij ondervonden heeft. Een van de struikelblokken was de uitnodiging naar de leden om een generieke B.A.-privéleven aan te gaan waarna na hij zich realiseerde dat deze voorzorgsmaatregel niet geschikt is om de relaties te dekken waar een jurist een overeenkomst in ziet. Daarnaast was het niet gemakkelijk om voldoende groot te worden zodat verzekeraars werk willen maken van een werk op maat voor slechts een beperkt aantal personen zonder hen te confronteren met lasten in de vorm van premies die de goede wil zou kunnen belemmeren. Een parcours met veel hindernissen dus, maar geen onmogelijk parcours: een klein aantal verzekeraars heeft geantwoord.

Wat betreft autodelen liggen de bekommernissen elders, aldus Jeffrey Matthijs van Autodelen.net: de echt grote vloten van de sectorleiders zijn goed verzekerd, met soms zelfs de mogelijkheid een franchise te kiezen op maat van de wensen en voorkeuren van de gebruiker. Een vraag echter: de bewijskracht van de groene kaart eigen aan een voertuig holt het nut uit van een aanvullende overeenkomst wanneer het voertuig bestuurd wordt door een alternatieve gebruiker die zijn aansprakelijkheid apart wenst te verzekeren.

Geert Dankaert, die Test-Aankoop vertegenwoordigde, herinnerde eraan dat het gelijknamige magazine onlangs heeft aangegeven hoe de polissen B.A.- privéleven de risico’s dekken - soms al in de basisovereenkomst - die verbonden zijn met de deeleconomie. Hij was echter minder overtuigd wat betreft, bijvoorbeeld, het gebruik van overeenkomsten “huispersoneel” voor de uitwisseling van diensten, te beginnen met babysitten. Het is duidelijk dat hier ruimte voor verbetering is, zeker in het licht van de verplichting tot aangifte bij het Riziv, wat alles nog wat onduidelijker maakt en de mensen kan afschrikken.

Van ondergetekende werd verwacht dat hij de houding en de collectieve middelen van de verzekeraars zou toelichten. Hij ontgoochelde daarbij misschien de organisatoren die gehoopt hadden dat Assuralia over cijfermatige gegevens zou beschikken waarop de verzekeraars zich zouden kunnen baseren om tarieven uit te denken die uitgaan van een solide basis: de kennis van de risico’s maakt deel uit van het onderzoek en de commerciële ontwikkeling, wat binnen een concurrentie-omgeving niet gedeeld wordt. Assuralia legt zijn leden daarnaast ook geen bevelen op, ook niet om in het verhaal van de deeleconomie te stappen. Anderzijds blijkt uit de waarden die de verzekeraars nastreven dat ze willen meegaan “in een wereld in verandering”, of zelfs dat ze “de verzekering willen heruitvinden” en dat ze dus openstaan voor nieuwe ontwikkelingen en de vinger aan de pols houden van wat de maatschappij verwacht.

In de eerste plaats is het - zoals afgesproken - belangrijk dat informatie goed en correct meegedeeld wordt, zowel door de actoren op het terrein, de overheden als websites zoals Wikifin en ABCverzekering.be. Het zal de platformen helpen hun rol goed te in te vullen en vermijden dat men zich zonder het te weten in activiteiten van verzekeringsbemiddeling stort, zoals Kelly Schamphelaere (FVF) benadrukte.