Aristide Melissas had zich zijn citytrip met zijn gezin in New York zeker anders voorgesteld. De reis liep uit op een nachtmerrie toen zij slachtoffers werden van een aanslag. Toch streeft de heer Melissas ernaar om zin te geven aan die traumatische ervaring. Hij ligt aan de basis van de uitnodiging tot een ontmoeting en gedachtewisseling die Koen Geens, vice-premier en minister van Justitie, gericht heeft aan Belgische slachtoffers van aanslagen in het buitenland.

Slachtofferreünies komen wel vaker voor, maar telkens op grond van één enkele gebeurtenis. Het was de eerste keer dat de Belgische overheid het initiatief nam om deze categorie van slachtoffers bijeen te roepen. Het ging evenwel om slachtoffers die in België gevestigd zijn, en niet om landgenoten die zich in het buitenland hebben gevestigd en daar hun thuis, referentiekader en wellicht ook hun verzekeringen hebben. Maggie De Block, minister van Sociale zaken, was eveneens op de bijeenkomst aanwezig, net als vertegenwoordigers van de vele overheidsdiensten die een rol spelen in de opvang van slachtoffers, alsook Assuralia. Slachtofferverenigingen die het daglicht zagen na de aanslagen van maart 2016 waren in de zaal aanwezig, maar niet in het panel.

Koen Geens gaf blijk van nederigheid: de regering dacht vóór de aanslagen van Brussel goed voorbereid te zijn op mogelijke terreurdaden, maar is tot de bevinding gekomen dat hervormingen nodig zijn. Hij onderstreepte een visie die voortbouwt op een bestaand kader, enerzijds vanuit de wetgeving die de dekking van terreurdaden via verzekeringen regelt, anderzijds voortbouwend op het statuut van oorlogsslachtoffers. Een zaak waar hij dezer dagen trouwens verslag over heeft uitgebracht in het Parlement. Hij wees ook op de interfederale dimensie van de opvang van slachtoffers, nu het federale niveau moet samenwerken met diensten van de gemeenschappen die bevoegd zijn voor aangelegenheden die met welzijn te maken hebben.

Maggie De Block getuigde van de inzet van de aanwezige diensten en betuigde haar erkenning voor het trauma dat de slachtoffers hebben meegemaakt.

In de woorden van Aristide Melissas klonk het wel heel concreet: wanneer hij na zijn lange verzorging in de Verenigde Staten weer thuiskwam hoopte hij in België een warm nest terug te vinden. In plaats daarvan wachtte hem een koude douche, waarvan veertien tjokvolle ringmappen getuigen. Zijn conclusies zijn dat begeleiding, zeg maar coaching van slachtoffers een must is, dat de financiële steun soepeler moet verlopen, en dat de slachtoffers wegwijs moeten worden gemaakt in hun opvang en de hulp die zij kunnen gebruiken.

De aanwezige slachtoffers kregen uitgebreid de gelegenheid om hun ervaringen te delen, wat op evenwichtige wijze gebeurde, met oog voor wat goed verliep, maar evenzeer een aantal verbeterpunten. Daaronder soms onpersoonlijke briefwisseling, en het telkenmale dezelfde gegevens moeten bezorgen aan instellingen die ze al in hun bezit hebben. Zij getuigden over moeilijkheden om de ontwikkelingen van gerechtelijke procedures in het buitenland te volgen, daar een advocaat te vinden - desgevallend in verbinding met een Belgische confrater-, en de moeilijkheid om (nog afgezien van de kosten) te weten wie in België psychologische bijstand bij dergelijk trauma kan geven. Zij wezen eveneens op de lange wachttijden om afspraken te regelen, en de delicate vraag hoe proactief hulpdiensten wel mogen zijn: een visitekaartje afgeven met de boodschap dat het slachtoffer altijd welkom is en het daarbij houden volstaat niet. Wat verzekeringen betreft, lieten een aantal slachtoffers de teleurstelling blijken dat hun verzekeringen begrenzingen of uitsluitingen kenden, waardoor zij op dat vlak uit de boot vallen. Mensen die op zoek zijn naar een warm nest, hebben soms eerder het gevoel zich in nesten te bevinden.

Een handleiding zou welkom zijn, liefst op korte termijn, luidde een voorstel van de heer Melissas dat alvast bijval kreeg. De vertegenwoordiger van Assuralia wees in dat verband op de voordelen van een modulaire aanpak, waar de informatie niet op alle mogelijke situaties een antwoord probeert te bieden, wat zou leiden tot overdaad aan informatie. Dat is alvast de aanpak van Assuralia bij rampen waar alleen de relevante informatie verspreid wordt. Ondergetekende kreeg de gelegenheid om te reageren op zowel de principiële kritiek van slachtoffervereniging Life4Brussels, die de wet die minister Kris Peeters had voorbereid afwees als ingegeven door de verzekeraars, als op de vraag van Koen Geens om bij te dragen tot een haalbare hervorming. Ook de verzekeraars erkennen dat de huidige regeling voor verbetering vatbaar is. Zij hebben daarom constructief meegewerkt aan voorstellen om de dekking uit te breiden en het schadebeheer eenvoudiger te laten verlopen. Het wantrouwen tegenover de verzekeraars berust grotendeels op onwetendheid over hoe de vergoeding van lichamelijke schade verloopt en over het feit dat een voorschot aanvaarden geen verzaking betreft aan het recht op een volle vergoeding krachtens het contract waar een slachtoffer zich op kan beroepen. Verzekeraars hebben er in geen enkel opzicht belang bij het beheer van een dossier te laten aanslepen.

Verzekeraars beschikken evenwel over de nodige kennis en capaciteit om naast de duizenden dossiers van menselijke schade die zij jaarlijks behandelen, ook die van terreurdaden te beheren. Het is nog maar de vraag waar wij heen gaan wanneer de politiek de voorkeur zou geven aan een zoveelste rampenfonds waar iedereen heil van verwacht, maar de resultaten vaak tegenvallen.

Koen Geens had het slotwoord: hij plaatste terreur in de context van de vele andere groepen van slachtoffers naar wie hij luistert. Zo erkende hij dat hij tot het inzicht was gekomen dat terreurdaden een aparte aanpak verdienen, binnen een aangepast juridisch kader en met een aangepaste sociale benadering.