De wet van 22 april 2019 tot het toegankelijker maken van de rechtsbijstandsverzekering en haar uitvoeringsmaatregelen zijn veel te uitgebreid om tijdens een ontbijtcauserie volledig te doorgronden. Toch ging Philippe Dambly, Product & Innovation Manager Rechtsbijstand bij LAR en lector aan de ULg, deze uitdaging aan op 4 november, voor een publiek van verzekeringsjuristen. Hij kondigde een artikel met meer duiding aan in het decembernummer van het Tijdschrift voor Verzekeringen en beperkte zich tijdens de bespreking tot een beknopter overzicht.

Het was een gelegenheid voor de spreker om dit initiatief van minister van Justitie Koen Geens in een ruimer sociologisch kader te plaatsen, namelijk dat van het recht op recht en de toegang tot het gerecht, zoals opgenomen in artikel 23 van de Grondwet. Twee snelle pistes liggen voor de hand om deze toegang te vergemakkelijken: een verplichte verzekering of een stimuleringsregeling. Wat de eerste piste betreft, passeerden tal van voorstellen de revue (Hotermans, Smeyers, Malmendier, Cruyplants), waarvan geen enkel werd gerealiseerd. Laurette Onkelinx brak een lans voor de tweede piste met het koninklijk besluit van 15 januari 2017, dat echter niet het verwachte succes had.

Philippe Dambly stelde vast dat de hindernissen voor de toegang tot het gerecht samenhangen met een dubbel verschijnsel: de juridisering (de toenemende mate waarin het recht doordringt in het dagelijkse leven) en de justitialisering (de trend om systematisch een beroep op het gerecht te doen om geschillen te beslechten). Het aanbod op de ‘markt’ van het gerecht is echter rigide en de wachttijden schrikken af, wat alternatieve oplossingen voor geschillen, zoals de rechtsbijstandsverzekering, versterkt.

Philippe Dambly herinnerde er vervolgens aan hoe de wet van 22 april 2019 tot stand is gekomen. Deze ging gepaard met tien amendementen en vier jaar van onderhandelingen met de Ordes van de balies en Assuralia.

Het resultaat is een grote techniciteit. Er werden minimale voorwaarden vastgelegd voor een fiscaal voordeel dat groter is dan in het systeem Onkelinx, namelijk 40 % van de premie, met een plafond van 124 euro, in plaats van 12 euro onder de vorige regeling. De wet bepaalt precies welke personen de hoedanigheid van verzekerde hebben en wat de uitsluitingen zijn. Verder is zij ook bijzonder duidelijk over de eventuele wachttijden. Philippe Dambly beklemtoonde overigens dat alleen individueel gesloten verzekeringsovereenkomsten in aanmerking komen.

Wat de verzekerde prestaties betreft, voorziet de wet in een financiële interventiedrempel voor de proceskosten: prestaties in natura tellen niet mee.

Tijdens het overzicht werd ook gehamerd op de plicht van de advocaat om zijn cliënt te informeren over zijn verbintenissen ten opzichte van de erelonen. Want als de bedragen uit het koninklijk besluit worden overschreden, betaalt de verzekerde de bijkomende kosten. Daar staat tegenover dat de door de verzekeringsovereenkomst verzekerde bedragen niet worden aangesproken voor de interne kosten voor de behandeling van een schadegeval door een rechtsbijstandsverzekeraar.

De nieuwe wet vroeg niet alleen een lange voorbereiding, maar voorziet ook in een evaluatie in 2021 met dezelfde actoren. Philippe Dambly zal niet de enige zijn die kennisneemt van hun eerste verslag. Hij stelt vast dat op de markt vandaag al blijkt dat meerdere verzekeraars een product hebben gelanceerd dat beantwoordt aan de vereisten van deze wet Geens. Dat was in veel mindere mate het geval na het – ondertussen opgeheven – besluit Onkelinx.  Het blijft afwachten wat de impact zal zijn van de fiscale stimulans, die al voor dit jaar is ingevoerd naar rato van de sinds 1 september betaalde premies.

Bij wijze van antwoord op opmerkingen over de aanzienlijke kosten, met name de expertisekosten, die moeilijk ten laste te nemen zullen zijn in een contract overeenkomstig de wet Geens, citeerde Philippe Dambly een kwinkslag van voormalig stafhouder Jean Cruyplants: “een perronticket is geen treinticket”. Toch is hij optimistischer. Hij wijst erop dat het hier om een nieuw en verschillend model gaat, en dat het dan ook onmogelijk is om alles te voorzien, waaronder de fiscale interesse bij de verzekerden.